Wat zijn schommelingen in de bloedsuikerspiegel?

Wat zijn schommelingen in de bloedsuikerspiegel?

Herken de schommelingen in je bloedsuikerspiegel

Je neemt je medicijnen, je volgt het advies van je arts en je doet je best om je diabetes te beheren.

Toch schommelt je bloedsuikerspiegel soms flink. Klinkt dat je bekend in de oren? Zoals je vast al wel weet, zijn er verschillende factoren die veranderingen in je bloedsuikerspiegel kunnen veroorzaken. Factoren zoals dieet, hoeveel je beweegt en de medicijnen die je neemt - inclusief insuline. Maar dat is niet alles... er zijn ook factoren die je helemaal niet onder controle hebt.

Ook factoren die buiten je invloed liggen, hebben invloed op je bloedsuikerspiegel. Bijvoorbeeld als je ziek wordt of als je je gestrest voelt.

Voedsel kan de bloedsuikerspiegel snel beïnvloeden

Stress en ziekte kunnen het lichaam minder gevoelig maken voor insuline

Lichaamsbeweging doet de bloedsuikerspiegel dalen

Medicatie heeft een directe invloed op de bloedsuikerspiegel: dosering, timing, interacties met niet-diabetesmedicatie

Als je bloedsuikerspiegel hierdoor stijgt of daalt, dan kun je daar vaak niets aan doen. Daarom is het belangrijk dat je deze factoren met je diabetesverpleegkundige of praktijkondersteuner bespreekt. Zelfs een kleine aanpassing aan je diabetesmanagement kan je helpen om je bloedsuikerspiegel onder controle te houden.

Neem een kijkje op de handige diabeteschecklist Deze checklist helpt je de schommelingen in je bloedsuikerspiegel te beoordelen. En hij helpt je om onderwerpen te vinden die je met je behandelaar kunt bespreken.

Symptomen van schommelingen in de bloedsuikerspiegel

Is je bloedsuikerspiegel te hoog? Dan krijg je waarschijnlijk last van de symptomen van hyperglykemie. Zoals:1

Meer moeten urineren

Toegenomen dorst

Verhoogde hartfrequentie

Toegenomen vermoeidheid

Hyperglykemie kan worden veroorzaakt door eenvoudige dingen. Zoals te veel eten, te veel suikerhoudende frisdrank drinken, te weinig lichaamsbeweging, medicijnen niet op de juiste wijze innemen, ziekte of stress.2 De beste manier om zeker te weten of je hyperglykemie hebt, is je bloedsuiker meten.1

Is je bloedsuikerspiegel te laag? Dan krijg je last van de symptomen van hypoglykemie, zoals:1

Toegenomen honger

Zweterigheid

Beven

Duizeligheid

Natuurlijk verschillen de symptomen van hypoglykemie tussen de ene persoon en de andere. Toch zijn er een aantal gemeenschappelijke signalen waar je op moet letten. Denk aan: angst, zwakte, verwardheid, beven, zweten, je moe, hongerig of je nerveus voelen.1 Als je symptomen ervaart van een lage bloedsuikerspiegel, dan moet je wat snelwerkende koolhydraten nemen. Bijvoorbeeld een suikerhoudend drankje, glucosetabletten of snoep gevolgd door langwerkende koolhydraten, zoals een stuk brood of een mueslireep.

Wat kun je doen als je bloedsuikerspiegel te hoog of te laag is?

  • Overleg met je behandelaar of je de hoeveelheid koolhydraten die je op een dag eet of je hoeveelheid lichaamsbeweging te veranderen.
  • Praat met je behandelaar over het aanpassen van je medicijnen
  • Praat met je behandelaar over wanneer je zijn of haar hulp moet inroepen

Ben je bezorgd?, Gebruik dan onze diabeteschecklist om je te helpen met de schommelingen in je bloedsuikerspiegel.


Vraag je medische zorgverlener welke bloedglucosewaarde goed voor je is. Het Nederlands Huisarts Genootschap (NHG) beveelt een HbA1c streefwaarde aan van 7% (53 mmol/mol) of hoger, afhankelijk van de leeftijd, de duur van de diabetes en het medicatiegebruik. De streefwaarde voor je bloedglucosespiegel en HbA1c zal op jezelf en op basis van je algehele gezondheid worden afgestemd.

Houd de regie. Praat bij je volgende bezoek met je behandelaar over hoe je een stabiele bloedsuikerspiegel kan bereiken. Je arts kan oplossingen noemen die je kunnen helpen.

1. Rutten G. et al. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (derde herziening). Huisarts Wet 2013;56(10):512-25.
2. Diabetes UK. Available at: http://www.diabetes.org.uk/FAQ/FAQ_2/. Date accessed: 9 April 2015.
3. Glycemic Targets. Diabetes Care 2015; 38(Suppl. 1):S33–S40.